Peter R. de Vries: ‘Nooit heb ik meegemaakt dat dit tot iets zinvols leid­de.’

Omringd door media, is Peter R. de Vries aanwezig bij een uitspraak van de rechtbank in Arnhem op 9 oktober 2009 in het kader van de Puttense moordzaak (foto: Richard Helwig).

Duidelijkheid krijgen in een lang slepende vermissingszaak is iets waar nabestaanden van slachtoffers altijd hevig naar op zoek zijn. De vraag is of het inschakelen van ‘hulp’ meer licht op zaken kan werpen. In 2008 vroeg ik Peter R. de Vries hoe hij omging met paragnosten en hun bevindingen. Hij had daar een weloverwogen mening over.

Voor zijn tv-programma ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ (1995-2012) kreeg Peter R. de Vries op zijn redactie regelmatig te maken met mensen die hun diensten aanboden bij lopende vermissingen. Mensen die zelfs de plek konden zeggen waar gezocht zou moeten worden om het lichaam te kunnen vinden. ‘In zijn algemeenheid hecht ik geen waarde aan hun waarnemingen’, aldus Peter. ‘Ik heb in de loop van mijn carrière me­nigmaal met (bekende) helderzienden te maken gehad. In grote za­ken, de verdwijning van Marion en Romy van Buuren bijvoorbeeld, hebben wij ordners vol tips van helderzienden ontvangen.’ Hij doelde hierbij op de zaak waar op 8 juni 1997 een jonge moeder en haar dochtertje verdwenen. Pas veel later werden hun lichamen teruggevonden.

Over de bemoeienissen van helderzienden verklaarde Peter tegenover me: ‘Nooit, maar dan ook nooit, heb ik meegemaakt dat dit tot iets zinvols leid­de, laat staan tot een ontknoping in een zaak of misdrijf. Het tegendeel wel: nabestaanden die valse hoop kregen en soms met ronduit schokkende en lugubere informatie werden bestookt en die later volkomen onjuist bleek te zijn. Ik heb in de loop der jaren een aantal keren claims van helderzienden onderzocht op het waarheidsgehalte. Zonder uitzondering bleek bij onderzoek dat het verhaal geheel of gedeeltelijk onjuist was en dat aan de verstrekte informatie niet of nauwelijks betekenis kon worden toegekend. Gevolg is dat ik uitermate sceptisch sta tegenover tips van men­sen die zich paranormaal begaafd achten en daar nooit inhoudelijk meer mee aan de slag ga.’