Gek op oude Volkswagen busjes

Zo’n busje moet wel in de oorspronkelijke uitvoering verkeren. Hoe meer roest en deuken, hoe beter (foto: Richard Helwig).

Oude Volkswagen busjes. Ik ben er gek op. En dan bedoel ik de Volkswagen Transporter en wel de T1 (1950-1967). Gevolgd door de T2 (1967-1979). De nostalgie die bij deze voertuigen om de hoek komt kijken, geeft me een bijzonder prettig gevoel.

Wat een grote aantrekkingskracht op mij heeft, zijn alle kleuren waarin deze busjes vanuit de fabriek werden afgeleverd. En hetgeen waarvoor ze werden gebruikt. Dat was bijzonder uiteenlopend. Waanzinnig leuk om dat in boeken terug te zien. Als camper, om spullen mee te transporteren, personenvervoer, als ijscowagen, maar ook die werden gebruikt door de politie en brandweer. Ja, zelfs als ambulance, compleet met zwaailamp en met rood beschilderd kruis op de zijkanten. Ik moet daarbij eerlijk zeggen dat de hedendaagse gerestaureerde modellen niet zoveel indruk op mij maken. Zo’n busje moet wel in de oorspronkelijke uitvoering verkeren. Hoe meer roest en deuken, hoe beter.

Kijk naar het allereerste T1 model. Hiervan rolde, twaalf jaar na de introductie, in oktober 1962 de miljoenste Transporter van de band. Dat was een gigantisch resultaat. Dit model kenmerkte zich door de metalen spijl. Deze was in het midden tussen de voorruit aangebracht. Het uiterlijk van de T2 had niet alleen de nodige wijzigingen ondergaan, ook motorisch waren er verbeteringen doorgevoerd. Alles heeft te maken met de eenvoud. Want het ontwerp was immers redelijk simpel. Niet zelden droom ik ervan om in een vervallen schuur zo’n busje tegen te komen. Verlaten op het platteland. Een met mos bedekt exemplaar. Waarvan de banden zijn verteerd, de inhoud van de benzinetank is verdroogd en de stoelbekleding is gescheurd. Pas dan weet ik zeker dat ik met een origineel exemplaar te maken heb. Machtig mooi om zo’n gevoel op een foto over te brengen.